De longeerhulp, boosdoener of weldoener?

Met enige verbazing lees ik in een artikel over de vermeende druk op de spinaaluitsteeksels van de schoft en de trekkende werking aan de paardenmond die de longeerhulp zou veroorzaken. De enige conclusie die ik kan trekken is dat degene die het artikel geschreven heeft, schrijft vanuit het oogpunt van onjuist gebruik (te strak of te plotseling instellen). Of misschien heeft de schrijver niet zoveel ervaring met longeren of juist gebruik van longeerhulpen. In elk geval vind ik het jammer om te lezen dat een trainingshulp waar paarden zo bij gebaat zijn, zo resoluut in de ban gedaan wordt, terwijl de argumenten tegen de longeerhulp niet overeenkomen met zijn werking in de praktijk.

Ik weet hoe lastig het voor paardeneigenaren kan zijn om tussen de bomen het bos te zien als het gaat om trainingshulpmiddelen. Iedereen wil het beste voor zijn paard en dan denk je eindelijk iets goeds gevonden te hebben, lees je de volgende dag dat het artikel in kwestie zo ongeveer gelijk staat aan een martelwerktuig. Dat is jammer, want bij juist gebruik kan deze hulpteugel verlichting bieden aan heel veel paarden, die met de teugel kunnen leren om vrij door hun lijf en over de rug te bewegen. Zelfs als de ruiter nog niet zo kundig is dat hij of zij het paard in een lichte aanleuning kan rijden, lukt het met de longeerhulp wel om het paard op fysiek en mentaal vlak te laten profiteren van de voordelen van horizontale balans en soepel ruggebruik.  Daarom voel ik me toch geroepen om de uitleg over de longeerhulp te nuanceren.

Allereerst een heel belangrijk detail over negeeflijkheid. Nageven betekent loslaten. Een nageeflijk paard ervaart geen enkele weestand van touwtjes of teugels, simpelweg omdat het deze weerstand zelf al heeft opgeheven door na te geven. De hele clou van aanleuning is dat je het paard uitnodigt om zijn (onvoordelige) hoorf-hals positie te veranderen en stopt met uitnodigen zodra het paard de juiste (gezonde/opbouwende) hoofd-hals positie heeft gevonden. Alleen dan spreken we van nageeflijkheid. Alle andere vormen van forceren, trekken, fixeren en op de plaats houden van hoofd en hals zijn geen zelfhouding en dus ook geen nageeflijkheid. Ik denk dat hier de grote verwarring ontstaat. Want een paard met een constant gewelfde hals, ontspannen onderhals, nek en kaak en geopende schoft, is een nageeflijk paard. Maar een paard dat in de krul loopt doordat het niet anders kan omdat het door druk in die positie gehouden wordt, is niet nageeflijk en dus ook niet ontspannen. Laten we voorop stellen dat we te allen tijde nageeflijkheid en ontspanning nastreven. Dat wil dus zeggen dat we de longeerhulp zo moeten afstellen dat hij inwerkt (d.w.z. weerstand biedt) als het paard niet is waar het zijn moet. Zodra het paard wel de juiste houding opzoekt moeten de touwtjes loslaten. Daarnaast moet de inwerking van de teugel in overeenstemming zijn met de mate van gewenning van het paard en het niveau van nageeflijkheid dat het aankan qua spieraanspanning.


Dit is een ervaren paard dat op M niveau getraind wordt. Zijn bovenhals is verlangd en aangespannen, terwijl zijn onderhalsspier ontspant. Hij loopt in zelfhouding en de toutjes hangen los (ook duidelijk te zien achter zijn elleboog)

Je kunt absoluut grove fouten maken met elk hulpmiddel, dus ook met een longeerhulp. Als je niet precies weet wat een gezonde houding voor je paard is, onvoldoende inzicht hebt in de bewegingsafwikkeling of niet zo goed kunt longeren, dan kun je met de longeerhulp inderdaad de mist in gaan. Een paard dat nog niet geleerd heeft dat nageven weerstand op kan heffen of nog helemaal geen kracht of balans heeft, kan enorm schrikken als het ineens een te strak ingestelde longeerhulp om krijgt. Het paard snapt immers nog niet hoe het principe werkt en zal van schrik tegen de druk in gaan, deze vergroten en zichzelf in de mond of aan het hoofd trekken en misschien zelfs steigeren. Bij een jong of onervaren paard ga ik als volgt te werk:

Eerst zorg ik ervoor dat het paard gewend is aan longeren en in alle gangen goed op mijn drijvende en remmende hulpen reageert. Ik zorg ook dat het paard braaf stil blijft staan en niet bang is voor de longeerlijn of de longeerzweep. Als het paard zonder problemen op de volte kan stappen, draven en galloperen en zich op zijn gemak voelt in de situatie, dan introduceer ik de longeerhulp. Ik leg de band rustig achter de schoft en stel de touwtes zo lang in dat het paard pas weerstand voelt als het zijn nek echt lang maakt. Op die manier heeft het paard alle ruimte om te ontdekken wat de longeerulp voor iets is en hoe het principe van weerstand opheffen werkt.

Het paard moet leren begrijpen dat het zelf op elk moment alle weerstand onmiddellijk kan opheffen door in de richting van de weerstand te bewegen.

Pas als het paard dat ervaren heeft dan ga ik de longeerhulp functioneel instellen. Functioneel wil zeggen: Het paard wordt uitgenodigd zich naar een nageeflijke positie te begeven die in overeenstemming is met zijn niveau van training, waardoor het fysiek en mentaal opgebouwd wordt, maar nooit overvraagd.

Een paard dat begrijpt hoe het nageven werkt zal niet op de touwtjes gaan hangen of ertegenin trekken. Hierdoor is er helemaal geen sprake van de vermeende druk op de schoft of trekkende inwerking op mond of hoofd van het paard. Wat er gebeurd bij een correct ingestelde longeerhulp is dat het paard de begrenzing van de touwtjes voelt en daarop meteen de nageeflijke positie opzoekt, waarop de touwtjes vrij van weerstand blijven en de band los achter de schoft ligt.

Als het paard zich in principe in de juiste positie bevindt, maar er nog spanning op de touwtjes staat, dan staan deze te strak ingesteld!

De longeerhulp is niet bedoeld om oprichting en verzameling te vragen, maar om het paard uit te nodigen tot een maximale bewegingsvrijheid door het openen van de schoft en welven van de gehele bovenlijn. Voor groene paarden is dit een heel goede voorbereiding op het beleren, omdat het paard al leert om ontspannen in een horizontaal evenwicht te bewegen voor het de ruiter moet dragen. Hierdoor zal het ruitergewicht hem veel minder uit balans brengen. Voor paarden die op een hoger niveau getraind worden is het een mooie afwisseling met het zwaardere, meer verzamelde werk, om de ontspanning en vloeiende bewegingsafwikkeling te bevorderen. En voor paarden die problemen ondervinden door een weggedrukte rug, spanning, korte gangen of een harde mond, kan het werken met de longeerhulp heel effectief zijn om hen snel te laten ontspannen en zich op een gezonde, opbouwende manier voort te bewegen.


Deze jonge ruin is heel groot, lang en buigzaam. Het kost hem veel moeite om zijn lichaam bij elkaar te houden. Tot vlak voor het moment waarop ik deze foto gemaakt heb, lukte het nauwelijks hem te laten galopperen aan de longe. De longeerhulp biedt hem precies de juiste ondersteuning om zijn lichaam vloeiend en opwaarts in de gelopsprong te krijgen. Ook bij hem zie je dat de longeerhulp niet strak staat, maar zelfs flink doorhangt. Dit is het begin van de zelfhouding!

Het spreekt voor zich dat de persoon die longeert kundig genoeg moet zijn om de juiste mate van impuls te bepalen, om de werking van de teugel te optimaliseren. Je moet kunnen inschatten welke intensiteit van training je paard aankan en wanneer het tijd is om af te bouwen. Kun je dat niet inschatten, ga dan niet zonder hulp experimenteren met welke longeerteugel dan ook, maar laat je begeleiden en coachen door iemand met voldoende ervaring en inzicht.

Bij juist gebruik zie je paarden zich verrassend snel ontwikkelen in balans, zelfhouding, vrij ruggebruik en horizontale balans. Juist omdat de grote meerderheid van de paarden zo gebaat is bij training met een longeerhulp, vind ik het goed om deze zaak te belichten uit het oogpunt van de trainer.

De enige paarden voor wie de longeerhulp minder geschikt is, zijn paarden die heel ver naar beneden duiken met hun neus (richting de grond). Dit is niet verkeerd, maar hierdoor onttrekt het paard zich aan het opbouwen van echte draagkracht. Het is voor deze paarden dus nuttig om te werken met een pessoateugel of longeertouwtjes die in een driehoek lopen. Deze geven het paard namelijk ook een stukje begrenzing als het te ver naar beneden wil duiken.



Deze jonge merrie laat een kalme en constante aanleuning zien aan de longe. Nog voor zij beleerd wordt heeft ze geleerd om haar lichaam dragend te gebruiken en haar rug te ontspannen in de beweging. Hierdoor wordt elke pas een ontspannen inspanning en daarmee functioneel en opbouwend, zowel lichamelijk als mentaal. Ook op deze foto is duidelijk te zien dat de longeerhulp niet inwerkt als het paard de juiste positie gevonden heeft en dus ook geen druk of weerstand op enig gebied van haar lichaam geeft.

Samengevat is mijn ervaring dat paarden geweldig los door hun lijf gaan bewegen met behulp van de longeerhulp, waardoor ze na elke training heel soepel en ontspannen zijn en snel in staat zijn hun achterhand dragend te gebruiken.

Geen enkel paard dat de werking van de longeerhulp begrijpt, zal een grote druk op mond, neus of schoft ervaren, omdat het paard het ontstaan of wegvallen van weerstand zelf bepaalt. De kracht van de longeerhulp zit hem juist in het feit dat hij altijd accuraat reageert en niet de fouten kan maken die een ruiterhand soms veroorzaakt.

Zoals bij alles geldt: Gebruik je gezonde verstand en kijk nauwkeurig naar je paard, dan leer je herkennen waar hij bij gebaat is. Het is te gemakkelijk om alles wat je niet kent meteen af te doen als slecht, want dan laat je misschien heel veel waardevols liggen, voor jezelf en je paard.